Brunei is een van die landen waar je weinig over hoort, tenzij het over rijkdom gaat. Het ligt op het eiland Borneo, ingeklemd tussen Maleisische staten, en bestaat uit twee delen die worden gescheiden door een strook kust. In oppervlakte is het klein, maar op andere vlakken valt het op. Olie- en gasvoorraden hebben van Brunei een van de welvarendste landen in Zuidoost-Azië gemaakt, zonder torenhoge gebouwen of een bruisend uitgaansleven. De rijkdom is zichtbaar, maar wel op een ingetogen manier.
De hoofdstad Bandar Seri Begawan maakt op het eerste gezicht een rustige indruk: brede straten, veel groen, moskeeën met gouden koepels. De sfeer is kalm, bijna plechtig. Wat direct opvalt is hoe schoon, geordend en stil het er is. Geen chaos, geen opdringerigheid, geen verkeer dat zich overal tussen wringt.
Het kleine sultanaat profiteert sinds het eind van de jaren 1920 van de gewonnen olie- en gasreserves. Gelukkig kunnen de grondstoffen worden gewonnen zonder ontbossing, waardoor het land zijn regenwoud, dat ongeveer 70% van het landoppervlak beslaat, grotendeels heeft weten te behouden. Het contrast tussen ongerepte, wilde natuur en de overvloed die kenmerkend is voor oliestaten is vooral zichtbaar in de hoofdstad Bandar Seri Begawan; deze complexiteit is ook wat een reis naar Brunei zo aantrekkelijk maakt.