Chili strekt zich uit langs de rug van de Andes als een smalle strook land die ruim vierduizend kilometer van noord naar zuid reikt. In het noorden schittert de Atacama‑woestijn onder een staalblauwe hemel. Zoutvlaktes knisperen onder de schoenen en sterrenwachten vangen nachtlucht die nagenoeg geen vocht bevat. Verder naar het midden doemt een rij vulkanen op waarvan sommige kraters zachtjes damp afblazen boven gletsjers. Smeltwater voedt valleien waar wijnstokken zich vastgrijpen in kalkrijke grond; in Colchagua rijpen volle rode druiven terwijl de frisse zeebries in Casablanca juist lichte witte wijnen mogelijk maakt.
In de hoofdstad Santiago steekt de Gran Torre omhoog achter de heuvels San Cristóbal en Santa Lucía. Studenten schilderen muren in Barrio Bellavista met felle patronen en terrassen serveren empanadas naast glazen vino tinto. Ten westen golft de Stille Oceaan, aan de andere kant rijst de Andes als een altijd aanwezige muur.
Chili is vooral bekend om zijn uitzonderlijke lengte langs de Andes. Van noord tot zuid rijzen meer dan honderd actieve vulkanen op, sommige met dampende kraters die ’s ochtends roze kleuren. Aardbevingen horen hier bij het dagelijks leven; strenge bouwregels zorgen dat wolkenkrabbers in Santiago meeveren in plaats van instorten. In het uiterste noorden ligt de Atacama‑woestijn. Dit is de droogste bewoonde plek ter wereld en dankzij haar kraakheldere lucht staan hier telescopen die het heelal tot in het infrarood onderzoeken.
Het land exporteert wereldwijd druiven uit valleien die tussen bergen en oceaan liggen. De Colchagua‑vallei brengt stevige cabernet voort, terwijl koelere kusten witte sauvignon opleveren. Niet ver daarvandaan haalt de mijnsector tonnen koper uit dagbouwputten; deze rode metaalader vormt de ruggengraat van de begroting. Op Paaseiland bewaken uit tufsteen gehouwen moai‑beelden een apart hoofdstuk van de nationale identiteit. Verder naar het zuiden trekken de granieten pilaren van Torres del Paine wandelaars uit alle windstreken.