De Filipijnen vormen een wijdvertakte archipel in ZuidoostâAziĂ«. Ruim zevenduizend eilanden liggen als groene vlekken in warmblauwe zeeĂ«n. Elke eilandgroep klinkt anders, serveert eigen gerechten en viert het weekend met eigen muziek.
Vier eeuwen Spaanse overheersing lieten stenen kerken, geplaveide pleinen en empanadaâkramen achter. In Vigan staan barokke gevels langs kasseienstraten, terwijl in Manila het San AgustĂnâklooster geschiedenis, kunst en stilte samenbrengt. De koloniale laag vermengt zich met Aziatische invloeden tot een herkenbare, maar nooit eentonige cultuur.
Langs de rand van de Stille Oceaan lopen breuklijnen die het land vormgeven. Mayon rijst op als een haast perfecte kegel; Taal ligt kalm in een kratermeer waar vissers hun netten lichten. Vulkanische as maakt de bodem vruchtbaar, maar herinnert tegelijk aan de kracht die onder het landschap sluimert.
Diezelfde natuur vormt het decor voor tropische stormen. In het regenseizoen kan een krachtige wind uitgroeien tot een tyfoon die daken optilt en rijstvelden onder water zet. Toch herstelt een dorp snel omdat buren elkaar helpen. Dat onderlinge systeem heet bayanihan: samen sjouwen, koken en herbouwen tot iedereen weer onderdak heeft.
Tussen de oude kalkstenen huizen verrijzen nu callcenters, gameÂstudioâs en financiĂ«le dienstverleners. Manila glanst van hoogbouw, terwijl kleurrijke jeepneys nog steeds voor weinig geld passagiers oppikken. Engels en Filipijns zijn overal, waardoor bezoekers eenvoudig vragen kunnen stellen of meezingen in een karaokebar. Op markten sissen barbecueÂtjes naast verse mangoâs; âs avonds trekt een balutâverkoper langs met een roep die iedereen herkent.